Spring naar content
Blog: wij zijn Tactus

Verstoppertje

19 november 2019

Ik was nu al een tijdje in de kliniek. Maar ik voelde me nog helemaal niet goed. Bij sommige modules begonnen mijn hersenen zowat te koken en leek het alsof mijn bewustzijn water was dat wegspoelde in een doucheputje. De neiging was groot om op mijn bed te gaan liggen. Het maakte me angstig omdat ik dacht dat ik knock-out zou gaan, of een toeval zou krijgen. Op zulke momenten keek ik naar de vloer en richtte ik al mijn gedachten op mijn ademhaling. Ik liet het verder niet merken. Ik wilde doorzetten en mijn verslaving overwinnen, en daar hoorde dit blijkbaar ook bij.

Op de afdeling voelde ik me nog niet helemaal thuis. Meestal kijk ik eerst een tijdje de kat uit de boom en dan begin ik langzaam wat meer van mezelf te laten zien. Bovendien had mijn zelfvertrouwen niet zomaar een deukje opgelopen; het was total loss, afgesleept en ergens neergedonderd waar niemand het meer zou kunnen vinden. Ik voelde me vooral eenzaam en verdwaald.

Bij elke opname krijg ik ongeveer dezelfde droom: ik val (van een klif, in een put) en ik kan me nergens aan vasthouden. En ik val maar en ik val maar en het wordt steeds donkerder, tot het helemaal donker is en ik wakker schrik. En zo voelde stoppen met drinken ook elke keer. Weg houvast, weg goede vriend, weg alle routine en dingen die ik blindelings kon doen. Ook al wist ik ergens wel dat het slecht voor me was, het leven was overzichtelijk. En ik kreeg mijn verdoving, mijn kicks. 

Ik hing vol zelfmedelijden lekker geen foto’s aan de muur op mijn kamer. ‘Ik heb niemand, ik moet dit helemaal alleen doen, boehoe.’ Stiekem hoopte ik dat iemand van de staf eens naar mijn kale muren zou vragen. Zodat ik daarover mijn hart kon uitstorten. Maar ik bleef lekker zwelgen in boosheid, waar eigenlijk vooral goed verstopte droefenis onder zat. En ik was te bang om te gaan zoeken.

Ook al had ik echt de keuze gemaakt om te leven, ik stond in slaapstand.

Ik richtte me op dingen buiten mezelf. Omdat dat het makkelijkste was. Maar ook omdat ik eigenlijk niet eens een ‘mezelf’ had in die tijd. Ik was er in ieder geval mijlenver van verwijderd. Wie was ik en wat wilde ik? Wat kon ik mezelf en anderen bieden? En wanneer trok verdomme de mist door het afkicken een keer weg? Ik keek, maar ik zag niet, ik hoorde, maar ik luisterde niet. Door die mist was het alsof ik uitstond. Ook al had ik echt de keuze gemaakt om te leven, ik stond in slaapstand. Ik dacht dat niemand écht zag wie ik was en dat ik me dus goed kon verstoppen. Alleen hing die mist niet buiten, maar in mijn hoofd, zo bleek. Nu wist ik het echt: verstoppertje spelen had geen zin meer.

Gerelateerd

  • Blog: wij zijn Tactus
Een collega typeerde Bram het treffendst: “De luiken zijn open, maar hij is niet thuis”. Bram was zeker geen hoogvlieger. Hij kwam uit Enschede en hier in deze provinciestad was hij niet welkom bij de groep gebruikers.
  • Blog: wij zijn Tactus
In onze kliniek schrijft Pascal een brief aan zichzelf. Zijn toekomstige zelf, over vijf jaar. In de brief zet hij koers naar het leven dat hij voor ogen heeft en steekt hij zichzelf een hart onder de riem voor zijn weg naar herstel.
  • Blog: wij zijn Tactus
Dus ik ging op vakantie en alles ging soepel.