Spring naar content
Blog: wij zijn Tactus

Piep

23 juli 2020

Ik was begin 20 en ik zat achter het stuur van m’n vaders auto. We reden niet ver van ons huis vandaan, vlakbij een mooi groot natuurgebied. Kronkelweggetjes, langere rechte stukken, flauwe bochtjes: een favoriet stuk van m’n broer en mij om wat sportiever te rijden. Dit keer niet, want m’n moeder zat naast me.

Er is in dat gebied een vrij ruim opgezette verslavingskliniek, waarover vaak wat lacherig werd gedaan. Het werd beschouwd als een schande, een grote afgang als je daar zou belanden. En dat zou natuurlijk nooit gebeuren.

Werkelijkheid

Op het moment dat we de oprijlaan van de kliniek voorbij reden, zei m’n moeder gortdroog: ‘Daar kom jij nog een keer terecht als je zo doorgaat.’ Ik wilde haar overtuigen dat mijn drankgebruik echt nog wel meeviel. Niet zo gek veel meer dan leeftijdsgenoten, alleen bij uitgaan of bijzondere gelegenheden. Ik wilde niet dat ze zich zorgen maakte om mij, uit liefde. Het was het begin van mijn verslaving. Twee/drie jaar later zou ik echt verslaafd zijn. En al snel zou die eerste, echte fase van verslaving flink verhevigen, toen mijn moeder de diagnose ziekte van Pick kreeg, oftewel een vorm van dementie die erg jong begint.

Zo’n 15 jaar later, mijn moeder was inmiddels overleden, sloot de werkelijkheid aan bij haar gelijk: ik belandde daar. Alleen voor de te volgen lessen weliswaar, want ik verbleef op het andere terrein dichtbij. Maar het hoorde allemaal bij één organisatie. Een andere dan Tactus, waar ik draaideurcliënt was (patiënt, wat mij betreft). Nu maakte ik een uitstapje, wat niet helemaal lekker voelde.

De verslavingskliniek werd beschouwd als een schande, een grote afgang als je daar zou belanden. En dat zou natuurlijk nooit gebeuren.

Het andere terrein lag nota bene dichtbij het graf van mijn ouders (mijn vader overleed vrij snel na mijn moeder). Ik was continu in gevecht met mezelf om het graf te bezoeken, maar het lukte niet.
Toen ik vrijheden kreeg, bewoog ik me vaak maar wat doelloos rond in het gebied tussen de kliniek, het oude huis van m’n ouders, en de begraafplaats met hun graf. Ik moest erop uit van de staf in de kliniek, dat was goed voor me zeiden ze, maar zodra ik de poort van de kliniek uit kwam leek het alsof ik regelrecht een nachtmerrie in fietste.

Herinneringen van vroeger, getriggerd door de omgeving die ik op m’n duimpje kende, gemixt met beelden van het leven van mijn ouders, maar helaas vooral van het laatste stuk van hun leven, gemixt met beelden van de begrafenis en het graf, zinnen uit de therapieën, flarden muziek, grappige en bijdehante opmerkingen van m’n ouders, zogenaamd goede adviezen van kennissen, gezichten van de mensen die het dichtst bij me staan, het ging maar door. Het was als een piep in m’n oor die maar niet weg wilde gaan en steeds sterker werd, totdat het leek alsof mijn hele hoofd een piep was.

Rugzakje

De volgende dag moesten we tijdens creatieve therapie een rugzakje maken. Want ‘iedereen heeft een rugzakje, de een zwaarder dan de ander, maar we dragen allemaal wat mee’. Nadat ik gelukkig nog net mijn kots kon binnenhouden bedacht ik me dat diegene een hbo-opleiding van vier jaar had gedaan, om vervolgens met dit cliché der clichés te komen. Het allang uitgekauwde, nietszeggende, verschrikkelijke jeukwoord ‘rugzakje’, in dezelfde categorie als ‘het mag er zijn’ en ‘dat zit in m’n allergie’. Bovendien sleepte ik een slecht zittende, lekkende backpack mee die groot genoeg was om vijf jaar lang kriskras de wereld over te gaan. Geen rugzakje. Vond ik toen.

Ik besloot er vol voor te gaan en haar te laten zien dat ‘rugzakje’ denigrerend is, devaluerend. Het maakt de enorme pijn en shitzooi die mensen soms meedragen tot iets kinderlijks, iets schattigs. Een rugzakje… Ik schreef alle onderwerpen die me dwars zaten op de kleine post-its die we hadden gekregen. In totaal had ik er een stuk of 12. En dat waren nog maar de hoofdonderwerpen. Waarschijnlijk was mijn verwoede schrijven haar opgevallen want ik kreeg als eerste de beurt. Ik stak van wal en kon rekenen op een begripvolle blik, genoeg geoefend en gepolijst in de rollenspellen die ze tijdens haar studie moest doen. Inclusief het knikken, de open vragen en houding, het samenvatten en de klassieker ‘wat doet dat nú met je?’. Uit het boekje.

Het woord rugzakje maakt de enorme pijn en shitzooi die mensen soms meedragen tot iets kinderlijks, iets schattigs.

Na tien minuten was ik het zat en ik voelde me ook steeds ongemakkelijker worden omdat ik al zo lang de beurt had. Dat liet ik blijken, maar ze zei zoiets als ‘dat geeft niks, soms is iets zo belangrijk dat we daar een hele les aan wijden, ook al hebben we het dan maar over één iemand gehad. Anderen kunnen daar ook wat aan hebben.’ Weer slikte ik snel wat kots weg. Dat betekende dat ik nog zeker een uur over mijn verrekte rugzakje moest gaan praten. Ik wilde al bijna ‘creatieve therapie’ op een post-it schrijven en in m’n rugzakje doen, maar ik haalde er maar weer één uit. Natuurlijk die waar ‘mama’ op stond.

In een flits zweefden m’n gedachten een paar honderd meter naar links, naar de begraafplaats, en ik zag mezelf met mijn hoofd gebogen voor het graf staan. Ik durfde niet naar het graf zelf te kijken, naar die mooie kei die er op ligt. Uit schaamte, uit verdriet, uit pijn, ik bleef maar naar de punten van m’n schoenen kijken. Het was winter, al donker, koud, en de omgeving en alle geluiden leken bedompter dan in de lente en zomer. Vogels lieten zich niet horen, er waren geen sterren te zien en hoe gek het ook klinkt: ik róók de koude lucht. Verder was er niet veel. Behalve iets wat ineens in me opkwam, iets wat mijn moeder weleens tegen me zei en wat toepasselijk was voor die plek ook nog: ‘kan ik niet is dood en wil niet ligt ernaast’.

Even later begon ik te vertellen, ik nam zijpaadjes, ik kwam anekdotes tegen en deelde die hartelijk, pakte nieuwe post-its met andere onderwerpen. Het uur vloog om en het deed me goed om alles te delen. Het luchtte op, en ik kon wat makkelijker over dat hele rugzakjesgezeik heen stappen. Ik was eindelijk gaan praten.

Het doel heiligt de middelen, zal ik maar zeggen. Ieder heeft z’n eigen rugzakje te dragen. En kan ik niet is dood, en wil niet ligt ernaast.

Een reactie op “Piep

  1. Haha Tim! Ik moest hardop lachen om het gedeelte waar je schrijft over de creatieve therapie en je ‘rugzakje’. Ik zie het helemaal voor me. Mooi dat je, ondanks je sceptische kijk erop voorafgaand, er toch wat moois uit hebt weten te halen!
    Groetjes,
    Annemarie

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Gerelateerd

  • Blog: wij zijn Tactus
Over ongeveer een week zal ik twee jaar nuchter zijn. Ik verwacht niet dat ik het nog ga verprutsen in die week, dus ik durf dat zo wel te stellen.
  • Blog: wij zijn Tactus
Het is weer zover. Als de bladeren gaan vallen valt mijn gemoed een stukje mee. Ik besluit om muziek te gaan luisteren.
  • Blog: wij zijn Tactus
Ik dacht ‘dat wordt een makkie’ dat stoppen met roken. ‘Huh, rookte jij dan?’, hoor ik je denken. Ja, ik rookte.