Spring naar content
Blog: wij zijn Tactus

Stom

30 juni 2020

Al een paar dagen, een paar keer per dag, liep er een man over de afdeling van de detox. Uitsluitend van zijn kamer naar het rookhok, tenzij we gingen eten. Dan van zijn kamer naar de tafel. Een wat oudere man, hij slofte en was niet zo vast ter been.

Hij had een rode, diepe striem op zijn nek, van links naar rechts, over de gehele lengte. Ik durfde niet te vragen hoe hij aan die striem kwam maar was wel nieuwsgierig. Eigenlijk wist ik het wel, want jaren daarvoor had ik iemand opgebaard zien liggen. Uit het leven gestapt, doodmoe. Van z’n ziekte, het verlies, de uitzichtloosheid en weet ik wat nog meer.

Op een dag, toen we als enigen zwijgend in het rookhok stonden, begon de man ineens vanuit het niets te vertellen. Hij was een tijd geleden van Den Haag naar het oosten verhuisd, omdat hij in Den Haag bepaalde mensen liever niet wilde tegenkomen. Zij hem juist wel; iets met geld. Mijn ouders waren ook ooit vanuit Den Haag naar het oosten verhuisd, en daarom ben ik daar geboren, nota bene in dezelfde stad als waar de man nu woonde.

Zoals dat dan gaat probeerden we uit te vinden of we misschien een gemeenschappelijke vriend of kennis hadden. Dat hadden we niet. Door het leeftijdsverschil misschien, maar waarschijnlijk vooral omdat we in totaal andere kringen verkeerden. Zijn woonplaats was inmiddels niet zo’n fan van hem in verband met ‘wat akkefietjes’.

Zoiets heb ik vaker in een kliniek gehoord: teveel in een te korte tijd. Hij had besloten om zich op te hangen, aan de trap.

Ik was al vaak genoeg opgenomen geweest om te weten dat dat een understatement was. Toch was er een klik en hij vertelde dat hij een autobedrijf had gehad en nu nog weleens wat deed met auto’s. In zijn wereld bestonden alleen oude Mercedessen, andere auto’s waren niks. Ik vroeg hem waarom ‘ie hier was beland en hij vertelde dat hij in twee maanden tijd z’n vrouw, beste vriend en hond was verloren.  Zoiets heb ik vaker in een kliniek gehoord: teveel in een te korte tijd. Hij had besloten om zich op te hangen, aan de trap. Dat hij zijn hond moest missen was vooral moeilijk geweest voor ‘m.

‘Stom van me hè, stom van me’ zei hij tegen me, alsof hij bevestiging nodig had en ik het antwoord wist. Ik viel stil en wist niet wat ik moest zeggen, behalve dat ik daar geen antwoord op had en ik het niet aan mij vond om het wel of niet stom te vinden. Het leek erop alsof hij wilde dat ik zou zeggen dat ik het niet stom vond. Het klonk als ‘Stom van me hè, stom van me, of nietnee toch?

Deze vraag zou hij de dagen erna zo nu en dan blijven stellen, op de meest willekeurige momenten. Zelfs een keer bij het passeren van elkaar, waarbij hij op z’n nek wees en zei ‘Stom hè, had ik nooit moeten doen’. Hij had zijn pas nauwelijks ingehouden. Ik kon nog net m’n schouders ophalen en mijn lippen op elkaar duwen en een soort van naar binnen trekken. Daarmee probeerde ik te laten zien dat ik niet onverschillig was maar het gewoon niet wist. Ik doe hetzelfde bij een ongemakkelijke situatie in het openbaar, als ik per ongeluk tegen iemand op bots bijvoorbeeld. ‘Ho, sorry!’ Hand omhoog in een afwerend gebaar, lippen op elkaar en een soort van naar binnen trekken. Raar. Deze situatie en man verdienden dezelfde gebaren niet vond ik meteen, maar het was al te laat. Ik had zo snel ook niks anders kunnen bedenken.

Hij wees op z’n nek en zei ‘Stom hè, had ik nooit moeten doen’.

In aanloop naar z’n ontslag, een paar dagen eerder dan het mijne, veranderde er niks. Behalve dat de man steeds onverschilliger werd en regelmatig zei dat hij zou blijven drinken. Het maakte hem gewoon niks meer uit en niemand kon hem anders doen denken. Ik heb nooit de moeite genomen om daar tegenin te gaan, het leek me totaal niks uithalen. Dat straalde hij aan alle kanten uit: wat moest ik, of wie dan ook, hem nou vertellen?

Toen het daadwerkelijk tijd was voor z’n ontslag rookten we samen nog een laatste keer. De rode striem was nog steeds goed te zien, het leek hem niet te interesseren. Ik weet niet meer wat we precies tegen elkaar zeiden, het was in ieder geval niet veel. We gaven elkaar een hand en ik zei ‘Kalm an hè ouwe Hagenees!’ Hij keek me met een brutale grijns en een ondeugende blik aan en zei ‘Komt goed jongen’. Ik wist toen niet wat dat voor hem betekende, en ik weet het nu nog steeds niet. Ik hoop alleen maar dat het goed gekomen is voor ‘m, op wat voor manier dan ook. 

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Gerelateerd

  • Blog: wij zijn Tactus
Bart zit op zijn bed in de verslavingskliniek. “Toen ik 12 jaar oud was, dronk ik mijn eerste biertje. Bah, ik vond het niet eens lekker!”, vertelt hij. Maar dat veranderde al snel: één biertje werden er twee, twee werden er vier, en een paar jaar later was hij verslaafd aan alcohol.
  • Blog: wij zijn Tactus
Ik was begin 20 en ik zat achter het stuur van m’n vaders auto. We reden niet ver van ons huis vandaan, vlakbij een mooi groot natuurgebied. Kronkelweggetjes, langere rechte stukken, flauwe bochtjes: een favoriet stuk van m’n broer en mij om wat sportiever te rijden.
  • Onderzoek
De vraag waarin we geïnteresseerd zijn is of het mogelijk is om met een E4 polsband de risicovolle craving momenten te kunnen identificeren, op basis van fysiologische parameters.